Zeven broden

Markus 8:1-9

Het blijft verbazingwekkend hoe duizenden werden gevoed door zeven broden. Op het eerste gezicht schoot dat toch hopeloos tekort. Onmogelijk dat al die monden daarmee zouden worden gevuld. Ondenkbaar dat die hele menigte daardoor zou worden verzadigd. Onvoorstelbaar ook dat er vervolgens nog zeven manden over waren. Toch, verhaalt Markus, zo gebeurde toen Jezus het brood biddend en dankend in Gods handen legde en het daarna begon te breken. Hij vertrouwde Zijn Vader dat Hij, van het weinige wat voorhanden was, meer dan genoeg zou weten te maken: overvloed die je niet op kunt en die niet opraakt. Dat getal zeven staat voor God… in dit geval voor Jezus. Het blijft een ongekend wonder dat er door die Ene genoeg kwam voor een ieder, een ontelbare menigte. En dat enkel en alleen door zich biddend in Gods handen te leggen, om zich door die handen te laten breken.

Er wordt van uitgedeeld tot de dag van vandaag. Hoeveel monden werden er intussen al gevuld? Hoe vaak deed jij je er inmiddels te goed aan? Toen allen gegeten hadden waren er nog zeven manden over. Zeven, dat staat voor een goddelijk overschot dat nooit opraakt. Altijd blijft er voldoende over aan heil van de hemel, aan brood voor het hart, aan verzoening en vrede, aan Geest en leven. Berekend is het op heel ons bestaan, hoe vaak wij ook tekort schieten, hoelang wij ook leven. Genoeg voor alle monden, hoeveel er ook nog bij aanschuiven. Geweldige belofte. Eén ding is jammer. Het wordt soms zó gewoon in onze beleving dat het nooit ‘op’ is bij God, dat we Zijn genade weghappen alsof het niks is. ‘Zonde’, zeggen we bij een gewone maaltijd, ‘je proeft niet eens wat je eet.’ Niet anders geldt aan de tafel van de Heere. Goed dus om het steeds weer even te bedenken en bewust te danken voor dit brood. Wie dat doet weet maar al te goed: er is niks gewoons aan. Die proeft er liefde en trouw in en geniet keer op keer van de bijzondere smaak. Het wordt al ongewoner dat je voor de zoveelste keer van dit brood eten mag…